"Dit Orgel, ’t welk in netheid en sierlykheid boven andere uitmunt (...)."


De keurmeester: Johannes Christianus van Dunné (1788-1839)

De organist die in oktober 1811 het orgel van Oostwold keurde, heette Johannes Christianus van Dunné (1788-1839). Of: Van Dunne, zoals hij in De Boekzaal wordt vermeld. Van Dunné werd op 31 december 1788 in Groningen geboren als zoon van Johan Frans van Dunné en Ikelina Tammen. Johannes Christianus was de kleinzoon van Johannes Hendricus Tammen (1733-1809), in leven organist en klokkenist van de Academiekerk van Groningen. Na de dood van grootvader Tammen vervulde Johannes Christianus tot de demontage van het Schnitger-orgel de post van organist van de Academiekerk. Hoewel hij wel solliciteerde naar de post van organist op datzelfde Schnitger-orgel in de Der Aa-kerk, werd niet hij in 1816 benoemd, maar Gerrit Cretier uit Amsterdam. Van Dunné was in de voorliggende periode opzichter geweest over het gedemonteerde en weder op te bouwen orgel, getuige een kwitantie die hiervan bewaard is gebleven. Hinsz en later ook Freytag & Snitger hadden eerder veelvuldig samengewerkt met Jacob Wilhelm Lustig (1706-1796), organist van de Martinikerk van Groningen en keurmeester van veel nieuwe orgels. Lustig was een man van aanzien, die zijn persoonlijke mening over personen of zaken niet onder stoelen of banken stak. Zo noemde hij Snitger eens een "goeden hals" en prees hij Freijtag als “een persoon van zonderlinge bequaamheid, die de voorspraak van yder onzydig kennen verdient”. Lustig was in 1796 overleden en werd niet lang daarna in de Martinikerk opgevolgd door P.M. Nieborgh (1773-1809).Freijtag & Snitger werkten ook veel samen met Johannes Hendricus Tammen. Tammen kwam oorspronkelijk uit Noordbroek. Hij keurde de Freijtag & Snitger-orgels van in ieder geval Bierum, Zuidhorn, Zuidbroek en Bellingwolde. Ook was hij betrokken bij de keuring van de verbouw van het orgel van Noordbroek door Freijtag in 1809. Tammen was net als Lustig een man met oog voor orgeltechnische zaken. Zo nam hij in 1790 zitting in de bouwcommissie die de bouw van een orgel in de Hersteld Lutherse kerk van Amsterdam moest voorbereiden. Tammen overleed op 10 december 1809.


De keuring van het Freijtag-orgel in Finsterwolde werd in 1808 door Nieborgh gedaan. Tammen onderzocht in 1809 in het Van Dam-orgel van Garnwerd. Hij voerde deze keuring uit in het gezelschap van zijn kleinzoon Johannes Christianus van Dunné. De Boekzaal maakt hier expliciet melding van. Of Freijtag in Finsterwolde blij is geweest met de samenwerking met Nieborgh valt te betwijfelen. Niet lang nadat Nieborgh was aangesteld in de Martinikerk, had hij er namelijk persoonlijk voor gezorgd dat dat orgel voortaan in onderhoud kwam bij Freijtags grote concurrent: N.A. Lohman. Waarom dat gebeurde, is niet bekend.


Opvallend is bovendien dat niet Nieborgh, maar een lokale grootheid, Bernardus Haijkens (1750-1810) uit Midwolda, het orgel van Finsterwolde inspeelde tijdens de feestelijke ingebruikname. Iets wat hoogst ongebruikelijk was, want in vrijwel alle gevallen speelde de keurder het orgel ook in.

 

Nieborgh was op 3 juli 1809 overleden. In de Groninger Courant viel de volgende advertentie te lezen die zijn moeder er in liet plaatsen: “Heden overleed, in den jeugdigen ouderdom van ruim zes en dertig jaren, myn tedergeliefde Zoon P. M. NIEBORGH, in leven Organist van St. Martini Kerk alhier, aan de gevolgen eener zware Pleuris van omstreeks drie weken. Ik heb met dezen, in myne ver gevorderde leeftyd, binnen een jaar, myn tweede Man, en twee volwassene Zoonen verloren, waar door ik, benevens des overledenes verdere naastbestaanden, in de allerdiepste droefheid en rouwe gedompeld zyn; terwyl wy, hoopende op eene gelukkige verwisseling, door de troost des Euangelie, in dezen, zoo moeylyken, weg wenschen te berusten, en elkanderen in een beter leven weder te ontmoeten. Dient dit ter kennis aan alle vrienden en bekenden. Groningen d. 3 v. Zomermaand 1809. GRIETJE CLAASEN, laatst Wedw E.K ZUIDEVELD”

 

In de zomer van 1811 was het orgel van Oostwold zover gereed dat het gekeurd kon worden. Daarom toog een kerkvoogd in het gezelschap van schoolmeester Harm Eppes Bosch (1771-1822) naar Groningen “om eenen Examinator voor ’t afnemen van ’t Orgel”. Ze kwamen terug met een goed bericht: ze hadden ene “J. van Dunné” bereid gevonden om het orgel te keuren.

 

Inderdaad, het was de kleinzoon van Tammen. Toen Van Dunné in oktober 1811 naar Oostwold kwam, nam hij zijn broer mee. Mogelijk ging het hier om Lambertus Johannes (1796-1876). Beiden logeerden elf dagen in Oostwold, hetgeen 1 gulden per dag kostte. Johannes Christianus keurde het orgel goed en bespeelde het tijdens de ingebruiknamedienst. Een keuringsrapport is niet bewaard gebleven. De Boekzaal maakte er het volgende van: “Na het afhandelen van ieder stuk, werden de ooren en harten der Gemeente, door het zingen van gepaste Psalmen en Evangelische Gezangen, waar onder zich het Orgel, door den kundigen J. van Dunne, kunstmatig bespeeld, liefelyk liet hooren, op eene aangenaame wyze gestreeld.” Van Dunné kreeg voor zijn keuringswerk een “geschenk” van 75 gulden aangeboden door de kerkvoogden van Oostwold en dat bedrag was even hoog als wat Nieborgh drie jaar daarvoor in Finsterwolde had ontvangen.

 

In de archieven kunnen we Van Dunné's verdere levensloop sporadisch terugvinden. In 1814 fungeerde hij op 1, 8 en 13 oktober als balgentreder in de Martinikerk bij een kinderfeest. Johannes Christianus adverteerde in 1816 in de Groninger Courant: "De Ondergeteekende, Muziekmeester en Organist, geeft aan het geëerd Publiek te kennen, dat by hem, en wel eenig in de geheel provincie Groningen, zyn te bekomen: alle soorten van PIANO - FORTES, die thans op de Fabriek van den Heer van der Does, te Amsterdam, gemaakt worden, zynde voortreffelyk met nieuwe Inventiën, van alle vorige verbeterd; belovende eene goede en civiele bediening. J.C. van DUNNÉ. Thans gelogeerd ten huize van deszelfs Vader, den Heer J.F. van Dunné, in de Breede gang, no. 164, te Groningen.

Johannes Christianus was tot 1819 ook organist van de Pepergasthuiskerk. Hij volgde zijn grootvader op in de Academiekerk (tot 1812) en speelde in diensten van de Waalse Gemeente in de Pelstergasthuiskerk (1813-1817). Hij werd er ontslagen vanwege aanhoudende klachten over onregelmatig spel.

 

Daarna is zijn levensloop moeilijker te volgen. Zijn naam komt niet voor in de Memorie van Successie die in 1829 werd opgemaakt naar aanleiding van het overlijden van zijn vader. De familie Van Dunné was inmiddels verhuisd naar Assen, maar Johannes Christianus vertrok 'naar de Oost Indies'. Hij meldde zich aan voor militaire dienst voor een dienstverband van zes jaar in de rang van sergeant. Hij maakte zijn zes jaar echter niet vol. Al op 8 maart 1831 vertrok hij naar Semarang, waar hij handelaar in en reparateur van vooral toetsinstrumenten werd. Hij handelde er in 'nieuwe briljante piano-fortes' van Europese makelij. Later adverteerde hij met Engelse piano-fortes van de firma Stodart en Zoon.


In 1834 gaf hij aan te willen repatriëren, maar hij bedacht zich kennelijk, aangezien op 7 september 1837 zijn zoon Johan Frans in Semarang werd begraven. In juni 1839 bevond Van Dunné zich in Batavia, waar hij bekend maakte pianofortes te maken en verkopen en 'grondig' pianoles gaf.

 

Johannes Christianus Van Dunné overleed op 14 november 1839 in Batavia.

 

N.B. In een eerdere versie van dit artikel werd de keuring van het orgel van Oostwold abusievelijk op naam geschreven van de jongere broer van Johannes Christianus, Lambertus Johannes van Dunné. Naspeuringen van Victor Timmer, welke zijn gepubliceerd in Het Orgel. Tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten & Kerkmusici 111 (2015) 3, 3-13, brachten echter aan het licht dat niet Lambertus Johannes, maar Johannes Christianus de keurmeester in Oostwold moet zijn geweest.