"Dit Orgel, ’t welk in netheid en sierlykheid boven andere uitmunt (...)."


Het orgel na 1811

Hoewel het keuringsrapport van het orgel van Oostwold verloren is geraakt, zal de conclusie zijn geweest dat het orgel goed in elkaar zat. Het instrument was gemaakt van uitstekende materialen, zoals duur eikenhout, bladgoud en ivoor. Toch is het orgel ook typisch een ‘kind van zijn tijd’. Vanwege de voortdurende staat van oorlog met Engeland waarin ons land vanaf 1795 verkeerde, was het onmogelijk om Engels tin te gebruiken bij het maken van de (front-)pijpen. Tot 1795 waren de frontpijpen van vrijwel alle nieuwe orgels van zuiver Engels tin gemaakt: duur, chique, mooi en het klinkt fantastisch! In Oostwold werden deze pijpen gemaakt van een legering met een vrij hoog loodgehalte. Ook mooi, maar toch anders. Er was in 1809-1811 geen hoogwaardig alternatief voorhanden. Om de pijpen toch een mooi aanzien te geven, plakte men er een dun laagje tinfolie overheen. Ook nu nog zit de folie alleen maar aan de voorkant van de frontpijpen; de achterkant laat een veel donkerder kleur zien.

 

In de eerste jaren na de oplevering van het orgel werd er om de drie of vier jaar een kleine reparatie of een stembeurt uitgevoerd. Pas in 1843 werd er een groter bedrag voor een reparatie uitgegeven. Al die tijd is het orgel in onderhoud gebleven bij de firma Freijtag, nu onder leiding van Herman Eberhard.

 

In 1860 ging het onderhoud van het orgel over naar Petrus van Oeckelen. Waarom dat gebeurde, is niet bekend. Herman Eberhard Freijtag werd er onaangenaam door verrast, zo kunnen we in de notulen van de kerkvoogdij lezen. Freijtag stuurde een boze brief aan de kerkvoogden waarin hij verzocht om nog een jaar te worden doorbetaald. Het notulenboek vermeldt: "Eindelijk werd nog besloten op een aanmaning van de orgelmaker Frijdag hem nog Een Jaar orgelstemmen te voldoen, om onaangenaamheden te vermyden ofschoon de man er niets voor heeft uitgevoerd en het hem tydig is opgezegd."

Zoals zo vaak, voerde Van Oeckelen direct een aantal wijzigingen door in het orgel. De scherpe kantjes (de stemmen Vox Humana 8 voet, Carillon III sterk en Nassat 3 voet) werden er vanaf gehaald en het orgel kreeg er een aantal zachte geluiden voor terug (Clarinet 8voet, Salicionaal 4 voet en Viola di Gamba 8 voet). In 1884 kreeg het orgel een nieuwe balg van Van Oeckelen, omdat één van de drie bestaande balgen was aangetast door houtworm. In het begin van de twintigste eeuw kregen de frontpijpen een laag aluminiumverf, waardoor ze weer mooi gingen glimmen. Het orgel was tot 1917 in onderhoud bij de firma Van Oeckelen.


Tussen 1919 en 1932 kwam een voormalig werknemer van Van Oeckelen, Hermannus Thijs, naar Oostwold om het orgel te onderhouden. In de jaren dertig werd dit werk overgenomen door Lucas Rinkema die in die dagen samenwerkte met de firma M. Spiering uit Dordrecht. De facturen werden dan ook op naam van Spiering voldaan.

 

In 1932 werd J.P. Nieman(1899-1990) aangesteld als organist. Hij wilde graag een aantal veranderingen aan het orgel. De orgelbank en het pedaalklavier waren te klein voor hem, dus hij vergrootte ze eigenhandig met nieuw hout en heel veel stopverf. Ook was hij in 1943-1947 de initiator van het aanbrengen van een compleet nieuwe windvoorziening. Het overtollige hout van de oude balgenkast verwerkte Nieman in zijn huis aan de Kerksingel (“want het was best gedroogd hout”).