"Dit Orgel, ’t welk in netheid en sierlykheid boven andere uitmunt (...)."


Organisten en orgeltrappers

Wie boven bij het orgel gaat kijken, vindt er veel sporen uit het verleden. De balgenkast en de achterwand van de het orgel zijn volgekrast met namen, jaartallen en initialen. Ook binnen in de orgelkast kom je inscripties tegen. Het is een interessante bron van informatie over organisten, orgelmakers en orgeltrappers uit vroege reeuwen.

 

Het treden van de balgen moet zwaar werk zijn geweest. Het orgel van Oostwold had oorspronkelijk drie spaanbalgen die boven elkaar lagen. De balgentreder moest met zijn volle gewicht op de balken gaan staan, wilde hij de windvoorziening in beweging krijgen. Het zwoegen van de orgeltrapper moet vanuit de kerk goed zichtbaar zijn geweest. Met het zweet op de rug deden balgentreders hun werk tijdens de zondagse erediensten.

 

Balgentreders waren officieel in dienst bij de kerk. Het waren mensen uit het dorp die op zondag tegen een kleine vergoeding hun diensten verleenden. Dat het soms pure noodzaak was, blijkt wel uit het feit dat soms ook een weduwe of haar kinderen also rgeltrapper optraden, nadat de echtgenoot was overleden. Het was een bron van inkomsten in financieel onzekere tijden.

 

De eerste orgeltrapper van Oostwold heette Ebo Harms Buiters. Met een heel jaar balgentreden verdiende hij 15 gulden. Nadat hij op 4 juni 1816 op 72-jarige leeftijd was overleden, nam zijn weduwe Aaltje Reinders (1757-1826) diens taken tot 1822 over tegen dezelfde vergoeding.

 

Verderop in de negentiende eeuw vinden we in de kerkvoogdijrekeningen de namen van:

- H. Generaal. Orgeltrapper van 1823-1840.

- Weduwe van G. Mandema. Orgeltrapper tussen 1841-1847.

- Harm H. Grijze. Orgeltrapper tussen 1848-1859.

- Weduwe van Harm H. Grijze. Orgeltrapper tussen 1860 tot na 1865.

- Geert Grijze (1834-1911). Orgeltrapper vanaf in ieder geval 1871 tot 1895. Tevens kleermaker en hoofd van het werkhuis.

- Harm Grijze (1862-1953). Zoon van Geert Grijze. Orgeltrapper tussen 1895-1916. Tevens kleermaker.

- Harmans Uffen (1848-1925). Orgeltrapper tussen 1917-1923. Arbeider.

- Albert Geertsema. Orgeltrapper tussen 1924-1947. Winkelier van beroep.

 

De vergoeding was tot en met 1914 25 gulden op jaarbasis, in 1915 t/m 1917 35 gulden en vanaf 1918 42 gulden per jaar.

 

Sinds de wijzigingen in 1947 door de orgelmaker Spanjaard uit Amsterdam heeft het orgel één grote magazijnbalg, waarop een windmotor is aangesloten. De oude balgen werden opgeruimd en de balgenkast werd met ruim een halve meter verlaagd. Voor de balgenkast-nieuwe-stijl werd een deel van de oude kast gebruikt, zodat deinscripties erop deels bewaard zijn gebleven.

 

De orgeltrapper heeft sinds 1947 zijn functie verloren. A. Geertsema was de laatste orgeltrapper van Oostwold. Bij stroomstoringen kan er altijd nog met de hand worden gepompt. Sinds 1947 is dit voor zover bekend nog nooit voorgekomen.

 

De functie van organist werd in eerste instantie gecombineerd met die van hoofd van de openbare school in het dorp. De eerste organist van het Freijtag-orgel in Oostwold was Harm Eppes Bosch (1771-1822) uit Wybelsum (Ost-Friesland). Hij werd in 1800 vanuit Westerlee in Oostwold aangesteld als opvolger van schoolmeester Jannes Haijkens (1742-1799), die in het Koediep was verdronken. Deze Jannes Haijkens was de halfbroer van Bernardus Haijkens, de organist en schoolmeester van Midwolda.

 

Bosch was tot 1811 voorzanger, net zoals schoolmeester Haijkens dat voor hem was geweest. Bosch verdiende vanaf 1812 jaarlijks 50 gulden ‘voor “’t Bedienen van ’t Orgel”. Daarvoor moest hij ook uit de Schrift en de 12 Artikelen lezen. Dat verklaart de aanwezigheid van een lessenaar boven bij het orgel.

 

Het Freytag-orgel heeft in haar ruim 200-jarige geschiedenis 'slechts' 11 vaste organisten gehad:

- H.E. Bosch (1771-1822, organist tussen 1811-1822).

- E.H. Bosch (1800-1871, organist tussen 1822-1863).

- A.H. Dikboom (organist tussen 1864-1868).

- A. Meijer (organist tussen 1868?-1901).

- J. de Boer (organist tussen 1901-1931).

- J.P. Nieman (organist tussen 1932-1968).

- J. Komdeur (organist tussen 1968-1976).

- H. Boedeltje (organist tussen 1976-1980).

- J. Olthof (organist tussen 1976-1980).

- drs. H. Tiggelaar (organist tussen 1980-1995).

- drs. L.B. Smit (organist van 1995-heden).

 

Toen J.P. Nieman werd aangesteld, kreeg hij gelijk een flinke loonsverhoging: de organisten voor hem verdienden nog 116 gulden per jaar, exclusief de kostersdienst (ongeveer 60 gulden). Nieman verdiende 270 gulden per jaar. Meijer en De Boer waren naast organist ook koster van de kerk.

 

Koos Tiggelaar was in Oostwold de eerste en vooralsnog enige organist met een conservatoriumopleiding. Hij heeft veel gedaan om het orgel onder een breder publiek bekendheid te geven. Zijn rol bij de voorbereidingen van de restauratie van het instrument kan moeilijk worden overschat.