"Dit Orgel, ’t welk in netheid en sierlykheid boven andere uitmunt (...)."


De orgelmaker: Heinrich Hermann Freijtag (1759-1811)

Heinrich Hermann Freijtag was oorspronkelijk afkomstig uit (de omgeving van?) Hamburg. Naar het schijnt, was hij een zoon van een timmerman uit Württemberg. Hoe hij in Nederland terecht is gekomen, blijft een raadsel. Zijn naam duikt in 1784 voor het eerst op in Groningen. Hij werkt dan bij de orgelmaker Albertus Anthonie Hinsz (1704-1785), de bouwer van het orgel in het naburige Midwolda. Toen Hinsz in 1785 overleed, nam zijn stiefzoon Frans Casper Snitger (1724-1799) het bedrijf over. Snitger ging een compagnonschap aan met de veel jongere Freijtag. Laatstgenoemde nam zo de opengevallen plaats van Hinsz in. Letterlijk, want de zitplaats van Hinsz in de Lutherse kerk van Groningen werd al vanaf april 1785 verhuurd aan Freijtag.

 

Freijtag kreeg de leiding over de nieuwbouwpoot van het bedrijf. Als jong broekie van 26 jaar oud voerde hij zelfstandig de prijsonderhandelingen met opdrachtgevers van nieuwe orgels, bijvoorbeeld in Kampen (uitbreiding van het orgel in de Bovenkerk, 1788-1789). En daar bleef het nietbij. Freijtag ontwierp de orgels helemaal zelf en stuurde medewerkers in de werkplaats aan. Snitger was veel onderweg en hield zich vooral bezig met onderhouds- en stemwerk van bestaande orgels.

Een echte zakenman was Snitger niet. Uit kerkelijke rekeningen blijkt dat Snitger jaarlijks langs kwam om orgels te stemmen, maar dat hij dat vaak op rekening deed. De bedragen stapelden zich jaar na jaar op. Soms kreeg hij pas na tien jaar zijn salaris nog eens uitbetaald. Freijtag was de creatieve duizendpoot binnen het bedrijf. Hij zorgde ervoor dat opdrachtgevers binnen een redelijke termijn betaalden. Hij ging vaak persoonlijk bij ze langs om het geld op te halen. Binnen een jaar na de dood van Snitger in 1799 waren alle nog openstaande bedragen geïnd. Voortaan werd de vergoeding zo mogelijk na afloop van het stemwerk betaald.

 

Freijtag zag overal brood in. Toen hij werd gevraagd om in Rotterdam het orgel van de Grote ofSint-Laurenskerk af te bouwen, ging hij daar direct naar toe. De twee weken die hij met de heen- en terugreis verloor, zou hij later ruimschoots terugverdienen. Ook in Zeeland was hij actief, net als in Overijssel, Friesland en Holland. Tot1806 was hij bovendien kroegbaas en had hij een “Wyn en Coffyhuis,als mede Billard” aan de Grote Markt in Groningen. Tenslotte was Freijtag vele jaren diaken of ouderling in de Evangelisch Lutherse gemeente van Groningen.

 


De firma Snitger & Freijtag werkte tot 1799 aan orgels in onder andere Bierum, Zuidhorn, Zuidbroek, Bellingwolde en Enkhuizen. Tot 1811 leverde Freijtag instrumenten in Loppersum, Noordwolde, Finsterwolde, Noordbroek, Bolsward, Rotterdam, Oostwold en Warffum. De firma had vele tientallen orgels in onderhoud in Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel, Holland en Zeeland. Ook zijn er kabinet-orgels en een secretaire-orgel van hun hand bewaard gebleven.

 

Toen Freijtag in 1811 op 51-jarige leeftijd stierf, was zijn oudste zoon Herman Eberhard nog maar 14 jaar oud. Tot 1817 nam Freijtags weduwe de leiding van het bedrijf op zich. Toen zij overleed, kwam de leiding alsnog in handen van Herman Eberhard en zijn drie jaar jongere broer Barthold Joachim. Zij wisten het bedrijf niet de bloei te geven die het onder hun vader had gekend. De broers kregen te maken met felle concurrentie van andere orgelmakers (Johan Wilhelm Timpe (1770-1837) en Nicolaus Anthonie Lohman (1766-1835) en waren veroordeeld tot onderhoudswerk en kleinere klussen.


Heinrich Hermann Freijtag trouwde op 6 oktober 1793 met Hiskia Hornemann. Zij was afkomstig uit het Duitse Leer. Beide echtelieden kenden elkaar via de Lutherse gemeente van Groningen. Hiskia was de weduwe van de kastelein Friedrich Andreas Wustenhöffer, die in december 1792 overleed. Wustenhöffer en Freijtag hadden op zondag altijd naast elkaar in de kerk gezeten, in bank nummer 40. Toen Freijtag en Horneman trouwden, was Hiskia hoogzwanger. Het jongetje kwam op 14 oktober 1793 ter wereld en Hiskia gaf hem de naam van haar overleden echtgenoot: Friedrich Andreas. Haar zoon overleed al in juli 1794. In het begraafboek werd vermeld dat het een kind van ‘Mons. Vrijdag’ was. Freijtag en Hornemann kregen nog negen kinderen, waarvan er vijf de volwassen leeftijd zouden bereiken: Herman Eberhard (Groningen 1796-Peize 1869) en Barthold Joachim(Groningen 1799-Groningen 1829) kwamen beiden in de orgelmakerij terecht. Reinhard Georg (Groningen 1797- Dokkum 1837) werd blauwverver. Christoffel Heinrich (Groningen 1797-1851) was “wol, katoen, zijde verver” en woonde achtereenvolgens in Nieuwe Pekela, Assen en Delft. Maria Hiskia (Groningen 1803-Peize1869) woonde lange tijd bij haar broer Reinhard Georg. Zij trouwde pas op 49-jarige leeftijd en overleed in 1869 in Peize. Nazaten van Reinhard Georg Freijtag wonen tegenwoordig onder andere in Australië.